Scholen die deelnemen aan Vmbo in beweging gaan gedurende drie jaar 2010, 2011 en 2012 aan de slag om sport en beweegaanbod op te starten voor de niet-actieve leerlingen. Het kan gaan om nieuw aanbod onder schooltijd, tijdens de pauze’s of na schooltijd. Als de opgestarte activiteiten succesvol zijn, is het zaak om te zorgen dat het aanbod een structurele plek krijgt in het schoolbeleid.
1. Sport en beweegcoördinator
Iemand binnen de school wordt voor een dagdeel per week vrij gemaakt om de rol van sport en beweegcoördinator op zich te nemen. Deze persoon neemt gedurende de projectperiode het voortouw. De inzet van de school en van de projectorganisatie wordt vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst.
2. Probleemanalyse
De sport en beweegcoördinator op school start het project met het uitvoeren van een probleemanalyse. Hierin wordt opgenomen welke sport en beweegactiviteiten er op de school al georganiseerd worden, in welke mate het sport en beweegaanbod naar tevredenheid (van directie, docenten en leerlingen) is, en in hoeverre de school de activiteiten verankerd heeft. Tevens wordt gemeten, door middel van een daarvoor opgesteld instrument, in hoeverre de leerlingen voldoen aan de beweegnorm. Zo ontstaat er een goed beeld van de doelgroep waarvoor een aanbod wordt ontwikkeld. In een bijeenkomst wordt de school uitgelegd hoe ze het uitvoeren van de probleemanalyse kan aanpakken en welke instrumenten hiervoor gebruikt kunnen worden.
3. Plan van aanpak
Scholen gaan vervolgens aan de slag om aan de hand van de probleemanalyse een plan van aanpak op te stellen. Hierin wordt beschreven welke sport en beweegactiviteiten er voor inactieven plaats gaan vinden tijdens de projectperiode. Hierbij wordt ook gekeken in hoeverre er samenwerking mogelijk is met buurt en sport. De georganiseerde activiteiten moeten in ieder geval een bijdrage leveren aan de doelstelling ‘meer leerlingen voldoen aan de beweegnorm’.
4. Start activiteiten
Vervolgens gaat de school aan de slag met het opstarten en uitvoeren van de activiteiten. Hierbij wordt ook gewerkt aan het creëren van draagvlak binnen de school voor het onderwerp en het verankeren van de activiteiten in het schoolbeleid.
5. Go/ no-go momenten
Na 1 jaar deelname vindt er een evaluatiemoment plaats waarbij gekeken moet worden of het project op de school gaat zoals dat in de samenwerkingsovereenkomst was afgesproken. Op dat moment wordt besloten of de school in het tweede jaar door kan gaan. Dit hangt af van de volgende criteria:
- Heeft de school de 50% cofinanciering voor het tweede jaar beschikbaar.
- zijn de probleemanalyse en het plan van aanpak van de school in orde;
- zijn er voldoende vorderingen gemaakt mbt de in het plan van aanpak gestelde doelen.
Aan het eind van de projectperiode (2012) doen scholen een eindevaluatie (1-meting). Daarin geven ze aan welke activiteiten hebben plaatsgevonden, hoeveel leerlingen er hebben deelgenomen, in welke mate de beweegnorm is veranderd, en in welke mate de activiteiten zijn verankerd in de school.



