Brede school

Hoe werkt het?

Als een Brede School meer wil doen aan sport en bewegen is het belangrijk eerst een analyse van de sport- en beweegbehoefte van de kinderen te maken. Vervolgens moet het belang van sport en bewegen structureel een plek krijgen in een projectplan, schoolwerkplan of meerjarenbeleidsplan. Nog beter is het een breed gedragen sport- en beweegplan te maken, waarin schoolbestuur en -directie en de partnerorganisaties hun visie verwoorden en onderling draagvlak creëren voor het te kiezen sport- en beweegbeleid van de Sportieve Brede School. Dat maakt het gemakkelijker sportstimuleringsactiviteiten gericht te kiezen, uit te voeren en te evalueren. De schoolleiding beslist over het te voeren beleid en het vrijmaken van personele en financiële middelen. Wanneer er bijvoorbeeld nog geen vakdocent bewegen is, zou de gemeente of de school moeten overwegen er één aan te trekken of bijvoorbeeld een coördinator aan te stellen die, samen met de sportaanbieders in de wijk, na schooltijd alle activiteiten organiseert. Na invoering van het sport- en beweegbeleid is het de taak van het schoolteam de leerlingen te motiveren.

Het Stappenplan geeft Brede Scholen die sportief willen worden richting en reikt instrumenten aan. De scholen bepalen zelf de invulling en de diepgang van het Stappenplan, dat bestemd is voor mensen die lokaal een rol spelen als verbindende schakel tussen de gemeente, die het beleid bepaalt, en de Brede School, die voor de uitvoering zorgt (sportconsulenten, beweegmanagers, Brede Schoolcoördinator of de schooldirectie).

Samenvatting: De site 'Sportieve basis voor de brede school' (oude site) geeft medewerkers van sportondersteunende organisaties en schooldirecties inzicht welke ingrediënten nodig zijn om sport en bewegen succesvol te organiseren in een Brede School. Op vijf onderdelen worden de sportieve kenmerken in dit document op een rijtje gezet en nader toegelicht:

  1. Beleid. De sportieve kenmerken zijn: draagvlak, structurele verankering van sport in het Brede Schoolbeleid, SMARTI-doelstellingen, structureel beschikbare financiële middelen en het ook in andere lessen (biologie, maatschappijleer) introduceren van sport en bewegen.
  2. Organisatie en samenwerking. Kenmerken: samenwerking in de BOS-driehoek (buurt, onderwijs, sport), afstemming van aanvangstijden van het sport- en beweegaanbod en van de inhoud en werkwijze van de sportorganisaties en het creëren van één pedagogisch sportklimaat.
  3. Aanbod. Kenmerken: het binnen- en buitenschoolse sportaanbod is voor iedereen, laagdrempelig, gevarieerd, sluit aan bij de belevingswereld van de leerlingen.
  4. Kader. Kenmerken: een vakleerkracht geeft de lessen bewegingsonderwijs. Er is een beweegmanager of sportcoördinator voor de Brede School en voldoende vakkundig uitvoerend kader.
  5. Sport- en beweegruimte. Kenmerken: er is voldoende kwalitatief goede sportieve binnen- en buitenruimte beschikbaar.

Verder is het van belang langlopende afspraken te maken met sportverenigingen, waardoor structurele samenwerking tot stand komt. Bovendien is het verstandig te informeren bij de gemeente welke landelijke, regionale en lokale regelingen er bestaan. Ook fondsen en sponsoring kunnen bijdragen aan de financiering van activiteiten. De gemeente kan de Brede School die sport en bewegen wil financieren ondersteunen door gebruik te maken van Europese, landelijke en lokale (tijdelijke) regelingen en subsidies (zoals: BOS-impuls, grotestedenbeleid, gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid), geld te geven voor het aanstellen van een vakdocent/combinatiefunctionaris voor naschoolse zaken en bij- en omscholing aan te bieden aan (vrijwillig) personeel/kader van scholen en sportverenigingen.